het derde grootste eiland van de Canarische archipel. Het heeft een ruwe cirkelvorm, door de vulkaanwerking in het centrum. Het hoofdeiland wordt in het noordoosten met het schiereiland La Isleta verbonden door de landengte van Guanarteme. De toppen van het bergachtige eiland bereiken een hoogte van bijna 2000 meter.
(1949 meter).
Ten noordwesten ervan verheffen zich de
Roque Nublo (Wolkenrots, 1813 meter) en de
Roque Bentayga (1412 meter). Ten zuidwesten van beide reuzen bevindt zich het berglandschap van Tirajana dat een omtrek heeft van 30 kilometer. Hier liggen grote stuwmeren (embalses) voor de opvang van het schaarse regenwater. De hoogvlakte van Tamadaba (1444 meter), tussen
Agaete en
San Nicolás, is bedekt met een prachtig
pijnbomenwoud (Pinar de Tamadaba). De oostelijke en zuidelijke hellingen van het centraal bergmassief dalen geleidelijk af naar de oceaan en lopen uit in goede zandstranden. De west- en noordzijden daarentegen zijn veel steiler en vormen aan de kusten diepe kloven van bruine en zwarte rotsen.
De meeste hellingen zijn straalsgewijs doorploegd met diepe en nauwe geulen (barrancos) waardoorheen in waterrijke tijden een riviertje zijn weg zoekt naar zee. Tussen het noorden en zuiden van Gran Canaria bestaat een verschil in het subtropische klimaat. Het centraal bergmassief dwingt de noordoostenwind tot opstijgen, waardoor de noordelijke hellingen niet te klagen hebben over gebrek aan vochtigheid. Ze zijn frisgroen begroeid, in tegenstelling tot de zuidelijke hellingen die erg droog zijn. In het zuiden bevinden zich ook de kilometers lange zandstranden en een bijzonder duinlandschap bij
Maspalomas.
Niettemin is het landschap op Gran Canaria niet zo spectaculair als dat van Tenerife met de vulkaan Teide, maar daar staat weer tegenover dat Gran Canaria de enige echte metropool van de Canarische eilanden heeft:
Las Palmas.